Paulus gebed !

Omdat er veel meningen bestaan over hoe als christenen om te gaan met het evangelie en Israël hebben wij onderstaand artikel met toestemming overgenomen (Bron: A.B. Stier, Israël en de Bijbel)

Als Paulus getuigt van zijn gebedsleven voor Israël, wordt direct duidelijk wat op nummer één van zijn gebedslijst staat. Niet de val van de Romeinse overheersing, geen gebiedsuitbreiding, geen economisch welvaart, geen terugkeer van al zijn volksgenoten naar Erets Israël, maar een gebed over hun behoud zoals verwoord in Romeinen 10:1 “Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit”.  In deze korte tekst ligt een geweldige schat aan grote waarheden opgesloten. 

De grootste bedreiging
 ‘Gebed over hun behoud’ veronderstelt dat er een ernstig gevaar moet worden afgewend. Het is een zaak van levensbehoud. Niemand kan namelijk in zijn zondige staat voor een heilig God verschijnen. Vandaar de ernstige waarschuwing van de Heere Jezus in de tempel: “indien gij niet gelooft, dat Ik het ben, zult gij in uw zonden sterven” (Joh. 8:24). In zonden sterven is het ergste wat een mens kan overkomen. Openbaring 6 geeft een schikwekkende beschrijving van de mens die – als de hemel zich als een boekrol opent - de Rechter van hemel en aarde onder ogen komt. “En de koningen der aarde en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen en iedere slaaf en vrije verborgen zich in de holen en de rotsen der bergen; en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?” (Op. 6:15-17

Fundamentele levensbehoefte  
Enkele uren voordat ik aan het schrijven van dit artikel begon, hebben we – voor wat dit aardse leven betreft – afscheid moeten nemen van een van onze meest dierbare vriendinnen. Enerzijds een onbeschrijfelijk verdriet, anderzijds die troostrijke zekerheid: ‘ze is thuis’. Enerzijds droefheid, anderzijds “niet bedroefd, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben.” Enerzijds een lege plaats, anderzijds uitzicht op een weerzien: “Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem” (1 Thes. 4:13,14). 

Wat de uiterlijke kenmerken van dit aardse leven ook mogen zijn, voor-, of tegenspoed, ziekte, gezondheid, eenzaamheid of omringd door vrienden, het zijn allemaal irrelevante factoren als het gaat om het eeuwig welzijn van de mens. De oproep aan Jood en niet-Jood is eenvoudig: “Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden..” (Hand. 16:31). Alleen dat vertrouwen opent een heerlijk troostrijk perspectief, niet alleen voor degene die de grens van dit aardse leven overschrijdt, maar ook voor degene die aan deze zijde nog achterblijft. Kortom, bidden over hun behoud, is bidden om de meest fundamentele levensbehoefte van ieder mens. 

Gebed tot God
Paulus omschrijft zijn gebed, als een gebed tot God. Het lijkt een overbodige toevoeging, maar niets in de Schrift is overbodig. Het bepaalt ons bij het feit dat niemand anders dan God alleen het hart van de mens tot bekering kan leiden. Iedere menselijke poging om een ander te bekeren wekt niet alleen wrevel op, maar gaat ook voorbij aan het fundamentele principe dat God alleen het hart kan openen. Een prachtig voorbeeld daarvan vinden we bij Lydia de purperverkoopster: “en de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd” (Hand. 16:14). 
'Gebed tot God’ onderstreept voorts het belang om God de plaats te geven die Hem toekomt in het werk dat alleen Hij tot stand kan brengen. Gebed is dan ook niet een middel om onze verlangens bij God af te dwingen, noch een middel om Hem als raadsheer terzijde te willen staan (Rom. 11:34). Het is veeleer een volkomen afstemmen op Zijn soevereine wil en werken, waarbij Hij ons kleine mensen wil betrekken en inschakelen. 

Alleen met gelovigen delen
Als Paulus spreekt over zijn gebed voor Israël, richt hij zich tot ‘broeders’ oftewel tot gelovigen. “Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed..” Het moet ons niet verbazen als niet-gelovigen zich storen aan onze inspanningen om Joodse mensen met het Evangelie bekend te maken. De apostel kan wat dat betreft uit ervaring spreken: “doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods” (1 Cor. 1:23,24). De verleiding bestaat om het Evangelie zo aan te passen, dat de ‘aanstoot voor de Jood’ en de ‘dwaasheid voor de Griek’ wordt weggenomen, en dus de prediking van de gekruisigde Christus wordt gemaskeerd. Maar wat zegt dezelfde apostel? “Tracht ik thans mensen te winnen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn” (Gal. 1:10). 
Het is deze, door velen verguisde dienstknecht van Christus, die ondanks soms harde kritiek en valse aantijgingen, trouw blijft aan zijn opdracht en de weg door het stof verkiest  boven het pluche. 
Tegelijk deelt hij zijn gebedslast met ‘broeders’, erop vertrouwende dat ook zij zijn voorbeeld zullen volgen en met hun gebeden de evangelieprediking onder Israël ondersteunen (Zie ook Rom. 15:30,3; Ef. 6:18,19; Col. 4:2,3). 

‘Begeerte mijns harten’ Nog voordat Paulus spreekt over zijn gebed over Israëls behoud, getuigt hij eerst van de begeerte van zijn hart. Het ware gebed en de ware dienst aan God zijn altijd een zaak van het hart. Het hart is immers de plaats waar God Zijn liefde heeft uitgestort (Rom. 5:4). De begeerte die Paulus heeft met het oog op Israëls behoud, is dan ook niet een vorm van fanatisme, waarmee hij zich ooit binnen het Judaïsme had geprofileerd, maar vloeit rechtstreeks voort uit de liefde van God voor Zijn volk. 
Hoe diep die liefde gaat, vinden we in Romeinen 9 vers 1-3: 
“Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest: ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer.
 

Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees”.
 

Om de indruk te voorkomen alleen maar vrome gevoelens te willen etaleren, drukt Paulus zich zeer stellig uit: “Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest..”  

Dat het geen kortstondige opwelling van emoties betreft, blijkt voorts uit de beschrijving van: “een grote smart en een voortdurend hartzeer”.

Hier vinden we het ware priesterhart dat ook Mozes kenmerkte die, omwille van het welzijn van zijn volk, uitroept: “Toen keerde Mozes tot de HERE terug en zeide: Ach, dit volk heeft een grote zonde begaan, want zij hebben zich een gouden god gemaakt.

Maar nu, vergeef toch hun zonde - en zo niet, delg mij dan uit het boek dat Gij geschreven hebt” (Ex. 32:31,32). 

In feite wordt in deze beide Gods-mannen de gezindheid van Christus openbaar, Die, tot redding van Zijn broeders naar het vlees, metterdaad Zijn ziel in de dood heeft uitgestort. Dat het gebed over hun behoud voortkomt uit een oprechte begeerte van Paulus’ hart, blijkt tenslotte nog uit het Griekse woord dat hier voor ‘gebed’ is vertaald, maar bijvoorbeeld in Fil. 4:6 met ‘smeken’ wordt vertaald. “...laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God”. Ook hier vinden we de relatie tussen begeerte en gebed en smeking.  

Hoe is het gesteld met onze liefde voor Gods oude verbondsvolk? Kennen we nog die begeerte, dat gebed, die smeking met dankzegging? De God van Israël geve het ons!

Dit artikel is geschreven door A.B. Stier en met toestemming overgenomen met als doel Gods wil en Woord te verstaan.